Daarop zei hij tegen hen: Pak mij op en werp mij in de zee; dan zal de zee u met rust laten, want ik weet dat deze zware storm u omwille van mij overkomt. – Jona 1:12
Schuldbesef Jona heeft verteld dat hij op de vlucht is voor zijn God. Natuurlijk stellen de zeelieden Jona nu de vraag: wat moet er gebeuren om dit onheil af te wenden, zodat wij overleven? Jona weet maar één ding: hij moet zelf overboord, want híj alleen is de oorzaak van deze storm. In de storm drong Jona’s schuld tot hem door. Vervolgens belijdt hij die eerlijk, voor Gods aangezicht én voor die van zijn medepassagiers. Wij kunnen met onze woorden of daden andere mensen veel pijn doen. Ze soms zelfs in gevaar brengen, fysiek of psychisch. Wie zich schuldig weet voor God, zal niet ontkennen dat hij ook aan anderen het nodige te belijden heeft. Die komt ermee voor de dag – én ontvangt om Jezus’ wil vergeving. ‘Belijd elkaar de overtredingen en bid voor elkaar, opdat u gezond wordt.’ (Jak. 5:16) Hoe komt het dat wij schuld belijden aan andere mensen zoveel moeilijker vinden dan aan God? Is dit terecht?