Voer minimaal 2 tekens in.
Toen zei Hij tegen hen: Geef (…) aan God wat van God is.
– Mattheüs 22:21
Een valse vraag recht beantwoord
Een samenzwering tegen Jezus. Theologen en politici. De Farizeeën beschouwen Jezus als een gevaarlijke nieuwlichter die de Thora met voeten treedt. De Herodianen vrezen ingrijpen van de Romeinen omdat het volk Jezus als Messias ziet. De vraag wordt fraai verpakt (vers 17). Als Jezus ja zegt, schaart Hij Zich aan de kant van de Romeinen en verliest Hij Zijn greep op het volk. Zegt Hij nee, dan roept Hij op tot verzet en kunnen ze Hem ter dood overleveren. Jezus laat ze een munt uit eigen zak opdiepen. Daarop staat het beeld van de keizer met als opschrift ‘de goddelijke, de verhevene’. Deze munt is van hem en voor hem. Maar een mens is schatplichtig aan God. De Schepper heeft Zijn beeld op hem gemunt. De mens is Zijn eigendom.
Soeverein en met humor antwoordt Hij Zijn belagers.
Midden in een wereld van angst en haat vervuld openbaart Hij Gods recht op ons. Verwonderd verlaat men Jezus. Waar loopt dit op uit?
Wij zijn door God gestempeld. Hem behoren wij toe!