… opdat het gauw voorbij zal zijn Een raadselachtig woord, die gruwel der verwoesting. We lezen er ook van in Daniël: het afgodsbeeld dat Antiochus IV in de tempel plaatste, een provocatie die de tempel ontheiligde en tot de opstand van de Makkabeeën leidde. Zo worden ook nu de heilige stad, de heilige tempel en het heilig geloof bedreigd. Jezus maant Zijn volgelingen om dan wel een goed heenkomen te zoeken. Men moet zich instellen op de grootste verdrukking aller tijden. Door inkorting van de dagen zal God een volk, Zijn uitverkorenen, in leven houden. Die ‘inkorting’ is teken van Gods genade. Zoals je een mens in doodsstrijd troost, een man zijn barende vrouw: ‘Het is nu gauw voorbij.’ Zicht op het nieuwe leven. De historische context van Jezus’ spreken is duidelijk: de situatie kort na het jaar 70. Stad en tempel worden door de Romeinen verwoest. Anno Domini 2026: het is de laatste ure. Wie volharden zal tot het einde, die zal zalig worden. ‘… Hij heeft Zelf gezegd: Ik zal u beslist niet loslaten en Ik zal u beslist niet verlaten. Daarom zeggen wij met goede moed: De Heere is voor mij een Helper en ik zal niet vrezen.’ (Hebr. 13:5-6)