Voer minimaal 2 tekens in.
Nu dan, tot u komt dit gebod, priesters!
– Maleachi 2:1
Vervloekte zegeningen
In de joodse traditie leest een jongen op de sabbat na zijn dertiende verjaardag in de synagoge uit de Thora en wordt dan een ‘bar mitswah’, een ‘zoon van de wet’. Het woord ‘mitswah’ is hier vertaald met ‘gebod’. Het komt tot de priesters. Zij spelen in de hele tekst tot nu toe een centrale rol, want het gaat steeds om de dienst in de tempel, waar zij verantwoordelijk voor zijn. Zij verkeren in een gezegende positie. Maar nu staat hier dat de HEERE die zegen vervloekt. Hun bevoorrechte positie getuigt tegen hen. Wat hadden ze tot een zegen kunnen zijn. Maar ze luisteren niet. Het dienen van de HEERE is geen zaak van het hart bij hen. Daarom wordt hun zegen tot een vloek. Wij verkeren ook in een bijzondere, gezegende positie als we tot de gemeente van Christus mogen behoren. Dit woord roept op tot zelfonderzoek. Horen wij, met ons hart? Zijn we zonen en dochters van de wet?
‘God vertoornt Zich zeer ernstig en dreigt te straffen allen die Zijn verbond ontheiligen. Niet alleen de goddelozen ontheiligen het verbond, maar ook allen die deze ontheiliging door de vingers zien.’ (Zacharias Ursinus)