Vertrouwen op God David heeft de toevlucht genomen tot de HEERE. Vijanden staan hem naar het leven. Meer dan eens heeft hij moeten vluchten, zoals voor Saul en voor Absalom. Misschien spottend wordt hem aangeraden te vluchten naar het gebergte, als een vogel die snel wegvliegt bij gevaar. Maar vluchten als zodanig brengt hem niet in veiligheid. David vertrouwt op God. Hij schuilt bij Hem. Goddeloos is het dat men jaagt op oprechten van hart. Er is geen recht en gerechtigheid meer. Daarmee zijn de fundamenten van de samenleving omvergehaald. Wat kun je nog als rechtvaardige? Maar de HEERE regeert. Hij is rechtvaardig. Hij doorgrondt de mensen en beoordeelt wie rechtvaardig is. Hij haat de goddelozen en hun geweld. Hij geeft hun wat hun toekomt. Hij zal Zijn oordelen op hen laten neerdalen. Maar Hij heeft lief wat rechtvaardigen doen. Zij zullen bestaan voor Zijn ogen. Hij ziet in gunst op hen neer. ‘Zalig zijn de reinen van hart, want zij zullen God zien.’ (Matt. 5:8)