Boodschap voor Petrus De Romeinse officier Cornelius in dienst van de keizer van Rome woont in de havenplaats Caesarea. Hij is officier en heeft het bevel over honderd manschappen. Nee, je zou het van hem niet verwachten, maar hij is zeer belangstellend naar de dienst van God, zoals hij die bij zijn Joodse plaatsgenoten ziet. Hij heeft oog voor de nood van mensen om hem heen en trekt zijn portemonnee. Zijn gezin en personeel leven mee. De levende God kent het leven van ieder mens, hoe wonderlijk dit ook is. Hij kent ons zitten, ons opstaan (Ps. 139). Cornelius ziet iets wonderlijks, om drie uur ’s middags. Hij hoort een stem, die hem zegt dat zijn gebed bij God bekend is. Perplex hoort hij het aan en hij moet mannen naar Joppe, een zuidelijke kustplaats, sturen. Adres: Simon de leerlooier. Ze krijgen te horen wat er is gebeurd. Waarom deze boodschap tot Cornelius kwam? Deze heiden leeft mee met de gemeenschap van de Joden, maar het geloof in Jezus Christus kennen hij en de zijnen niet. En er is toch maar één Naam gegeven waardoor wij moeten zalig worden. Ook wij toch! Humane daden zijn nog geen christelijke daden.