Voor de Rechter Daar staat de rechter in zijn toga; hij is geroepen om recht te spreken, ook al is dat over een bekende in de straat. Hij mag in de rechtspraak geen onderscheid maken. Zo wijst Petrus op Jezus van Nazareth, Die aangesteld is door God de Vader, als Rechter. Hij spreekt recht over ieder mens. Cornelius weet als Romein wat een rechter doet. Hij hoort hier over de Rechter van Israël en daarmee ook over de volken. Ik schrik. Moet ik voor de Rechter van hemel en aarde verschijnen? Ik hoor de vraag van de Rechter: ‘Heb je God liefgehad boven alles en je naaste als jezelf?’ Nee, o, nee, bij lange na niet. O, Rechter, U beschuldigt me en ik heb de eeuwige dood verdiend. Maar ik heb vanmorgen nog gelezen dat ieder die in Hem gelooft, vergeving van zonden ontvangen zal. Wat een bevrijdend, heerlijk woord, voor Cornelius, voor jullie, voor u. Wat een eeuwig houvast is dit beloftewoord: vergeving van zonden ontvangen! Wie niet gelooft in de Zoon van God, is reeds veroordeeld (Joh. 3:18). Mijn Rechter is mijn Redder.