Voer minimaal 2 tekens in.
Dit was volstrekt kwalijk in de ogen van Jona en hij ontstak in woede.
– Jona 4:1
Bang voor Gods genade
Je zou denken dat elke prediker van het Evangelie blij is wanneer zijn verkondiging leidt tot geloof en bekering. Jona echter ontsteekt in woede, omdat de HEERE Ninevé spaart. Dáárom wilde Jona aanvankelijk dus niet naar Ninevé. Hij was niet bang voor zijn eigen leven, maar bang voor Gods genade. Hij wist Wie de HEERE was, ‘genadig en barmhartig’ (vs. 2). Het zal toch niet gebeuren dat ze zich dan ook nog bekeren, had Jona gedacht. En nu: zie je wel! Wat mankeert Jona toch? Hij had Gods genade wel gepreekt tegen zijn eigen volk, dat in die dagen de HEERE ook niet diende. Maar Ninevé gunt hij de zaligheid niet. Jona denkt nog steeds in verschil tussen mensen: wij, Gods volk, ontvangen genade, maar die goddeloze heidenen moeten maar omkomen. Maar God is vrij: Hij ontfermt Zich over wie Hij wil (Rom. 9:18).
Wat zegt Jona’s reactie over genade in zijn eigen leven? Is het niet zo dat Gods genade ons leert: ‘als het voor mij kan, dan kan het voor iedereen’?