Gods hart voor het vee Opvallend in Jona is de rol van het vee. Bij het vasten en boete doen van Ninevé doen ook de beesten mee in de stad (3:7-8). Zij horen er helemaal bij. De beesten hebben niet gezondigd. En toch worden ook zij bedreigd door het oordeel. De mens heeft heel Gods schepping in zijn val meegesleurd. De schepping zucht als in barensnood (Rom. 8:22). Maar Gods hart gaat uit naar héél Zijn schepping, blijkt uit Zijn woorden tegen Jona aan het slot van het bijbelboek (4:11). ‘Wat dacht je van het vee, Jona, wie heeft dat gemaakt? Zouden de beesten Mij niet aan het hart gaan?’ Psalm 36 zegt: ‘Mensen en dieren verlost U, HEERE.’ Als dat zo is, zouden de dieren, zou de schepping dan ook óns niet aan het hart moeten gaan? Zou onze omgang met Gods wereld niet gekenmerkt moeten worden door diep respect voor haar Schepper? Is uw omgang met de schepping gestempeld door ontzag voor haar Schepper?