En daarna liet God Zich verbidden ten gunste van het land. (…) U moet niet meer met ons ten strijde trekken, opdat u de lamp van Israël niet uitdooft. – 2 Samuel 21:14 en 17
God en David De laatste hoofdstukken beschrijven enkele gebeurtenissen in het leven van David en zijn niet chronologisch opgetekend. In dit hoofdstuk lezen we dat God Zich laat verbidden. Dat wil zeggen dat God Zich met medelijden laat overhalen ten gunste van de ander. De hongersnood is er omdat Saul de eed die Jozua had afgelegd (Joz. 9:15), heeft ontheiligd. Beschreven wordt hoe dat David dit richting de Gibeonieten herstelt, maar ook hoe Rizpa rouwt om haar zonen en uitziet naar het opheffen van de vloek. Deze stopt namelijk op het moment dat de regen valt. Het feit dat God Zich laat verbidden, bewijst Zijn barmhartigheid, maar niet ten koste van Zijn rechtvaardigheid. Opmerkelijk dat David beschreven wordt als ‘de lamp van Israël’. Koning David functioneert dus als licht te midden van het volk Israël. Jezus zegt: ‘Ik ben het Licht der wereld’ (Joh. 8:12) en zegt tegen Zijn volgelingen: ‘U bent het licht van de wereld’ (Matt. 5:14). Op welke wijze ben je een ‘licht van de wereld’ en een ‘stad boven op een berg’ (Matt. 5:14-16)?