Handelingen 13
De Handelingen van de heilige apostelen beschreven door Lukas

HSV

Barnabas en Paulus naar de heidenen gezonden

1En er waren Hand. 14:26in Antiochië, in de gemeente aldaar, enkele profeten en leraars, namelijk Barnabas, Simeon, die Niger genoemd werd, Lucius van Cyrene, Manahen, die met Herodes, de viervorst, opgegroeid was, en Saulus.

2En terwijl zij de Heere dienden en vastten, zei de Heilige Geest: Hand. 9:15; 22:21; Rom. 1:1; Gal. 1:15; 2:8; Efez. 3:8; 1 Tim. 2:7; 2 Tim. 1:11Zonder voor Mij zowel Barnabas als Saulus af voor het werk waartoe Ik hen Matt. 9:38; Rom. 10:15; Hebr. 5:4geroepen heb.

3Hand. 6:6; 8:15; 19:6Toen vastten en baden zij, en nadat zij hun Hand. 14:26de handen opgelegd hadden, lieten zij hen gaan.

Barnabas en Paulus op Cyprus

4Zij dan, uitgezonden door de Heilige Geest, vertrokken naar Seleucië en voeren vandaar naar Cyprus.

5En toen zij in Salamis gekomen waren, verkondigden zij het Woord van God in de synagogen van de Joden; en zij hadden bovendien Hand. 12:25Johannes als dienaar.

6En toen zij het eiland doorgegaan waren tot Pafos toe, troffen zij Hand. 8:9; 19:13een zekere tovenaar aan, een valse profeet, een Jood van wie de naam Barjezus was.

7Hij hoorde bij de stadhouder Sergius Paulus, een verstandig man. Die riep Barnabas en Saulus bij zich en verlangde ernaar het Woord van God te horen.

8Ex. 7:11; 2 Tim. 3:8Maar Elymas, de tovenaar (want zo wordt zijn naam vertaald), ging tegen hen in en probeerde de stadhouder van het geloof af te houden.

9Maar Saulus (die ook Paulus genoemd wordt), vervuld met de Heilige Geest, keek hem doordringend aan, en zei:

10O duivelskind, vol van alle bedrog en van alle sluwheid, vijand van alle gerechtigheid, zult u er niet mee ophouden de rechte wegen van de Heere te verdraaien?

11En nu, zie, de hand van de Heere is tegen u en u zult blind zijn en de zon voor een tijd niet zien. En onmiddellijk viel er donkerheid en duisternis op hem, en rondlopend zocht hij naar mensen om hem bij de hand te leiden.

12Toen de stadhouder zag wat er gebeurd was, geloofde hij, versteld over de leer van de Heere.

Paulus in Antiochië

13En Paulus en zij die bij hem waren, voeren van Pafos weg en kwamen in Perge aan, een stad in Pamfylië. Hand. 15:38Maar Johannes verliet hen en keerde terug naar Jeruzalem.

14En zij gingen vanuit Perge het land door en kwamen in Antiochië in Pisidië; en zij gingen op de dag van de sabbat de synagoge binnen en gingen daar zitten.

15En na het voorlezen van de Wet en van de Profeten lieten de hoofden van de synagoge tegen hen zeggen: Mannenbroeders, als er bij u een woord van bemoediging voor het volk is, spreek dan.

16Toen stond Paulus op, Hand. 12:17; 19:33; 21:40wenkte met de hand en zei: Israëlitische mannen en u die God vreest, luister:

17De God van dit volk Israël heeft onze vaderen Ex. 1:1uitverkoren en het volk verhoogd toen zij vreemdelingen waren in het land Egypte, en Hij heeft hen met een machtige arm daaruit geleid.

18Ex. 16:35; Num. 14:34; Ps. 95:10En Hij heeft gedurende de tijd van ongeveer veertig jaar hun doen en laten verdragen in de woestijn.

19En nadat Hij in het land Kanaän zeven volken uitgeroeid had, Joz. 14:2verdeelde Hij hun land onder hen door het lot.

20En daarna gaf Hij hun ongeveer vierhonderdvijftig jaar Richt. 2:16; 3:9richters, tot aan de profeet Samuel.

211 Sam. 8:5; Hos. 13:11En van toen af vroegen zij om een koning, en God gaf hun 1 Sam. 9:15; 10:1Saul, de zoon van Kis, een man uit de stam van Benjamin, gedurende veertig jaar.

22En nadat Hij hem had afgezet, verwekte Hij 1 Sam. 16:12David voor hen tot koning; Hij gaf ook getuigenis van hem met de woorden: 1 Sam. 13:14; Ps. 89:21; Hand. 7:45Ik heb David, de zoon van Isaï, gevonden, een man naar Mijn hart, die alles zal doen wat Ik wil.

23Uit zijn nageslacht heeft God voor Israël, volgens de belofte, de Zaligmaker Jezus doen voortkomen,

24Matt. 3:1; Mark. 1:2; Luk. 3:2; Joh. 3:23nadat Johannes, voorafgaand aan Zijn komst, eerst aan heel het volk Israël de doop van bekering gepredikt had.

25Maar toen Johannes zijn loop aan het volbrengen was, zei hij: Wie denkt u dat ik ben? Joh. 1:20Ik ben de Christus niet; maar zie, Hij komt na mij, Matt. 3:11bij Wie ik het niet waard ben de sandalen aan Zijn voeten los te maken.

26Mannenbroeders, kinderen van het geslacht van Abraham, en wie onder u God vrezen, Vers 46; Matt. 10:6; Hand. 3:26tot u is het woord van deze zaligheid gezonden.

27Want de inwoners van Jeruzalem en hun leiders, Joh. 16:3; Hand. 3:17; 1 Kor. 2:8; 1 Tim. 1:13die Hem niet kenden, hebben door Hem te veroordelen de uitspraken van de profeten vervuld, die iedere sabbat voorgelezen worden.

28Matt. 27:20; Mark. 15:11; Luk. 23:18; Joh. 19:6En hoewel zij geen reden voor Zijn dood vonden, vroegen zij Pilatus Hem te laten doden.

29En toen zij alles volbracht hadden wat er over Hem geschreven was, namen zij Hem van het hout af en legden Hem in het graf.

30Matt. 28:6; Mark. 16:6; Luk. 24:6Maar God heeft Hem uit de doden opgewekt;

31Mark. 16:14; Joh. 20:19; 21:1; Hand. 1:3; 1 Kor. 15:5en Hij is gedurende vele dagen verschenen aan hen die met Hem opgegaan waren van Galilea naar Jeruzalem en die nu Zijn getuigen zijn bij het volk.

32En wij verkondigen u Gen. 3:15; 22:18; 26:4; 49:10; Deut. 18:15; 2 Sam. 7:12; Ps. 132:11; Jes. 4:2; 7:14; 9:5; 40:10; Jer. 23:5; 33:14; Ezech. 34:23; 37:24; Dan. 9:24,25de belofte die aan de vaderen gedaan is, namelijk dat God die vervuld heeft aan ons, hun kinderen, door Jezus te verwekken,

33zoals ook in de tweede psalm geschreven staat: U bent Mijn Zoon, heden heb Ik U verwekt.

34En dat Hij Hem uit de doden heeft doen opstaan om niet meer tot ontbinding terug te keren, heeft Hij zó gezegd: Jes. 55:3Ik zal u de weldaden van David geven, die betrouwbaar zijn;

35daarom zegt hij ook in een andere psalm: Ps. 16:10; Hand. 2:27U zult Uw Heilige niet overgeven om ontbinding te zien.

361 Kon. 2:10; Hand. 2:29Immers, David is ontslapen nadat hij in zijn tijd het raadsbesluit van God uitgediend had, en hij is bij zijn vaderen gelegd en heeft wel ontbinding gezien;

37maar Hij Die God opgewekt heeft, heeft geen ontbinding gezien.

38Laat het u dan bekend zijn, mannenbroeders, Luk. 24:47; 1 Joh. 2:12dat door Hem aan u vergeving van de zonden verkondigd wordt

39Rom. 3:28; 8:3; Gal. 2:16; Hebr. 7:19en dat Rom. 10:4ieder die gelooft, door Hem gerechtvaardigd wordt van alles waarvan u door de wet van Mozes niet gerechtvaardigd kon worden.

40Pas dan op dat u niet overkomt wat er gezegd is in de profeten:

41Jes. 28:14; Hab. 1:5Zie, verachters, verwonder u en verdwijn, want Ik verricht een werk in uw dagen, een werk dat u niet zult geloven als iemand het u vertelt.

42En toen de Joden weggegaan waren uit de synagoge, drongen de heidenen erop aan dat op de volgende sabbat dezelfde woorden tot hen gesproken zouden worden.

43En toen de synagoge uitgegaan was, volgden velen van de Joden en van de godvrezende proselieten Paulus en Barnabas. Die spraken tot hen Hand. 11:23; 14:22en spoorden hen aan om bij de genade van God te blijven.

44En op de volgende sabbat kwam bijna heel de stad samen om het Woord van God te horen.

45Maar toen de Joden de menigten zagen, werden zij met afgunst vervuld en spraken tegen wat er door Paulus gezegd werd; zij spraken niet alleen tegen, maar lasterden ook.

46Maar Paulus en Barnabas zeiden vrijmoedig: Vers 26; Matt. 10:6; Hand. 3:26Het was nodig dat het Woord van God eerst tot u gesproken zou worden, Ex. 32:10; Jes. 55:5; Matt. 8:12; 21:43; Rom. 10:19maar aangezien u het verwerpt en uzelf het eeuwige leven niet waard oordeelt, zie, wij wenden ons tot de heidenen.

47Zo immers heeft de Heere ons geboden: Jes. 42:6; 49:6; Luk. 2:32Ik heb u tot een licht voor de heidenen gesteld, opdat u tot zaligheid zou zijn tot aan het uiterste van de aarde.

Paulus en Barnabas naar Ikonium

48Toen nu de heidenen dit hoorden, verblijdden zij zich en prezen het Woord van de Heere, en er geloofden er zovelen als er bestemd waren voor het eeuwige leven.

49En het Woord van de Heere verbreidde zich door heel het land.

50Maar de Joden stookten de godvrezende en aanzienlijke vrouwen en de voornaamsten van de stad op 2 Tim. 3:11en ontketenden een vervolging tegen Paulus en Barnabas, en zij verdreven hen uit hun gebied.

51Maar zij schudden tegen hen het stof van hun voeten af en gingen naar Ikonium.

52En de discipelen werden vervuld met blijdschap en met de Heilige Geest.

SV

13

Bárnabas en Paulus tot de heidenen gezonden

1En er waren Hand. 14:26.te Antiochíë, in de Gemeente, die daar was, enige profeten en leraars, namelijk Bárnabas, en Símeon, genaamd Niger, en Lucius van Cyréne, en Mánahen, die met Heródes den viervorst opgevoed was, en Saulus.

2En als zij den Heere dienden, en vastten, zeide de Heilige Geest: Hand. 9:15. 22:21. Rom. 1:1. Gal. 1:15. 2:8. Efez. 3:8. 1 Tim. 2:7. 2 Tim. 1:11.Zondert Mij af beiden Bárnabas en Saulus tot het werk, waartoe Ik hen Matt. 9:38. Rom. 10:15. Hebr. 5:4.geroepen heb.

3Hand. 6:6. 8:15. 19:6.Toen vastten en baden zij, en hun Hand. 14:26.de handen opgelegd hebbende, lieten zij hen gaan.

Bárnabas en Paulus te Cyprus

4Dezen dan, uitgezonden zijnde van den Heiligen Geest, kwamen af tot Seleucíë, en van daar scheepten zij af naar Cyprus.

5En gekomen zijnde te Sálamis, verkondigden zij het Woord Gods in de synagogen der Joden; en zij hadden ook Hand. 12:25.Johannes tot een dienaar.

6En als zij het eiland doorgegaan waren tot Pafos toe, vonden zij Hand. 8:9. 19:13.een zekeren tovenaar, een valsen profeet, een Jood, wiens naam was Bar-Jezus;

7Welke was bij den stadhouder Sergius Paulus, een verstandigen man. Deze, Bárnabas en Saulus tot zich geroepen hebbende, zocht zeer het Woord Gods te horen.

8Ex. 7:11. 2 Tim. 3:8.Maar Elymas, de tovenaar (want alzo wordt zijn naam overgezet), wederstond hen, zoekende den stadhouder van het geloof af te keren.

9Doch Saulus (die ook Paulus genaamd is), vervuld met den Heiligen Geest, en de ogen op hem houdende, zeide:

10O gij kind des duivels, vol van alle bedrog, en van alle arglistigheid, vijand van alle gerechtigheid, zult gij niet ophouden te verkeren de rechte wegen des Heeren?

11En nu zie, de hand des Heeren is tegen u, en gij zult blind zijn, en de zon niet zien voor een tijd. En van stonde aan viel op hem donkerheid en duisternis: en rondom gaande, zocht hij, die hem met de hand mochten leiden.

12Als de stadhouder zag, hetgeen geschied was, toen geloofde hij, verslagen zijnde over de leer des Heeren.

Paulus te Antiochíë

13En Paulus, en die met hem waren, van Pafos afgevaren zijnde, kwamen te Perge, een stad in Pamfylië. Hand. 15:38.Maar Johannes, van hen scheidende, keerde weder naar Jeruzalem.

14En zij, van Perge het land doorgaande, kwamen te Antiochíë, een stad in Pisídië; en gegaan zijnde in de synagoge op den dag des sabbats, zaten zij neder.

15En na het lezen der wet en der profeten, zonden de oversten der synagogen tot hen, zeggende: Mannen broeders, indien er enig woord van vertroosting tot het volk in u is, zo spreekt.

16En Paulus stond op, Hand. 12:17. 19:33. 21:40.en wenkte met de hand, en zeide: Gij Israëlietische mannen, en gij, die God vreest, hoort toe.

17De God van dit volk Israël heeft onze vaderen Ex. 1:1.uitverkoren, en het volk verhoogd, als zij vreemdelingen waren in het land Egypte, en heeft hen met een hogen arm daaruit geleid.

18Ex. 16:35. Num. 14:34. Ps. 95:10.En heeft omtrent den tijd van veertig jaren hun zeden verdragen in de woestijn.

19En zeven volken uitgeroeid hebbende in het land Kanaän, heeft Hij hun Joz. 14:2.door het lot het land derzelve uitgedeeld.

20En daarna omtrent vierhonderd en vijftig jaren, gaf Hij hun Richt. 2:16. 3:9.rechters, tot op Samuël, den profeet.

211 Sam. 8:5. Hos. 13:11.En van toen aan begeerden zij een koning; en God gaf hun 1 Sam. 9:15. 10:1.Saul, den zoon van Kis, een man uit den stam van Benjamin, veertig jaren.

22En dezen afgezet hebbende, verwekte Hij hun 1 Sam. 16:12.David tot een koning; denwelken Hij ook getuigenis gaf, en zeide: 1 Sam. 13:14. Ps. 89:21. Hand. 7:45.Ik heb gevonden David, den zoon van Jesse; een man naar Mijn hart, die al Mijn wil zal doen.

23Van het zaad dezes heeft God Israël, naar de belofte, verwekt den Zaligmaker Jezus;

24Matt. 3:1. Mark. 1:2. Luk. 3:2. Joh. 3:23.Als Johannes eerst al den volke Israëls voor Zijn aankomst, gepredikt had den doop der bekering.

25Doch als Johannes den loop vervulde, zeide hij: Wien meent gijlieden, dat ik ben? Joh. 1:20.Ik ben de Christus niet; maar ziet, Hij komt na mij, Matt. 3:11.Wien ik niet waardig ben de schoenen Zijner voeten te ontbinden.

26Mannen broeders, kinderen van het geslacht Abrahams, en die onder u God vrezen, Vers 46. Matt. 10:6. Hand. 3:26.tot u is het woord dezer zaligheid gezonden.

27Want die te Jeruzalem wonen, en hun oversten, Joh. 16:3. Hand. 3:17. 1 Kor. 2:8. 1 Tim. 1:13.Dezen niet kennende, hebben ook de stemmen der profeten, die op elken sabbatdag gelezen worden, Hem veroordelende, vervuld;

28Matt. 27:20. Mark. 15:11. Luk. 23:18. Joh. 19:6.En geen oorzaak des doods vindende, hebben zij van Pilatus begeerd, dat Hij zou gedood worden.

29En als zij alles volbracht hadden, wat van Hem geschreven was, namen zij Hem af van het hout, en legden Hem in het graf.

30Matt. 28:6. Mark. 16:6. Luk. 24:6.Maar God heeft Hem uit de doden opgewekt;

31Mark. 16:14. Joh. 20:19. 21:1. Hand. 1:3. 1 Kor. 15:5.Welke gezien is geweest, vele dagen lang, van degenen, die met Hem opgekomen waren van Galiléa tot Jeruzalem, die Zijn getuigen zijn bij het volk.

32En wij verkondigen u Gen. 3:15. 22:18. 26:4. 49:10. Deut. 18:15. 2 Sam. 7:12. Ps. 132:11. Jes. 4:2. 7:14. 9:5. 40:10. Jer. 23:5. 33:14. Ezech. 34:23. 37:24. Dan. 9:24, 25.de belofte, die tot de vaderen geschied is, dat namelijk God dezelve vervuld heeft aan ons, hun kinderen, als Hij Jezus verwekt heeft.

33Gelijk ook in den tweeden psalm geschreven staat: Gij zijt Mijn Zoon, heden heb Ik U gegenereerd.

34En dat Hij Hem uit de doden heeft opgewekt, alzo dat Hij niet meer zal tot verderving keren, heeft Hij aldus gezegd: Jes. 55:3.Ik zal ulieden de weldadigheden Davids geven, die getrouw zijn;

35Waarom hij ook in een anderen psalm zegt: Ps. 16:10. Hand. 2:27.Gij zult Uw Heilige niet overgeven, om verderving te zien.

361 Kon. 2:10. Hand. 2:29.Want David, als hij in zijn tijd den raad Gods gediend had, is ontslapen, en is bij zijn vaderen gelegd; en heeft wel verderving gezien;

37Maar Hij, Dien God opgewekt heeft, heeft geen verderving gezien.

38Zo zij u dan bekend, mannen broeders, Luk. 24:47. 1 Joh. 2:12.dat door Dezen u vergeving der zonden verkondigd wordt;

39Rom. 3:28. 8:3. Gal. 2:16. Hebr. 7:19.En dat van alles, waarvan gij niet kondet gerechtvaardigd worden door de wet van Mozes, door Dezen Rom. 10:4.een iegelijk, die gelooft, gerechtvaardigd wordt.

40Ziet dan toe, dat over ulieden niet kome, hetgeen gezegd is in de profeten:

41Jes. 28:14. Hab. 1:5.Ziet, gij verachters, en verwondert u, en verdwijnt; want Ik werk een werk in uw dagen, een werk, hetwelk gij niet zult geloven, zo het u iemand verhaalt.

42En als de Joden uitgegaan waren uit de synagoge, baden de heidenen, dat tegen den naasten sabbat hun dezelfde woorden zouden gesproken worden.

43En als de synagoge gescheiden was, volgden velen van de Joden en van de godsdienstige Jodengenoten Paulus en Bárnabas; welke tot hen spraken, Hand. 11:23. 14:22.en hen vermaanden te blijven bij de genade Gods.

44En op den volgenden sabbat kwam bijna de gehele stad samen, om het Woord Gods te horen.

45Doch de Joden, de scharen ziende, werden met nijdigheid vervuld, en wederspraken, hetgeen van Paulus gezegd werd, wedersprekende en lasterende.

46Maar Paulus en Bárnabas, vrijmoedigheid gebruikende, zeiden: Vers 26. Matt. 10:6. Hand. 3:26.Het was nodig, dat eerst tot u het Woord Gods gesproken zou worden; Ex. 32:10. Jes. 55:5. Matt. 8:12. 21:43. Rom. 10:19.doch nademaal gij hetzelve verstoot, en uzelven des eeuwigen levens niet waardig oordeelt, ziet, wij keren ons tot de heidenen.

47Want alzo heeft ons de Heere geboden, zeggende: Jes. 42:6. 49:6. Luk. 2:32.Ik heb u gesteld tot een licht der heidenen, opdat gij zoudt zijn tot zaligheid, tot aan het uiterste der aarde.

Paulus en Bárnabas naar Ikónium

48Als nu de heidenen dit hoorden, verblijdden zij zich, en prezen het Woord des Heeren; en er geloofden zovelen, als er geordineerd waren tot het eeuwige leven.

49En het Woord des Heeren werd door het gehele land uitgebreid.

50Maar de Joden maakten op de godsdienstige en eerlijke vrouwen, en de voornaamsten van de stad, 2 Tim. 3:11.en verwekten vervolging tegen Paulus en Bárnabas, en wierpen ze uit hun landpalen.

51Doch zij schudden het stof van hun voeten af tegen dezelve, en kwamen te Ikónium.

52En de discipelen werden vervuld met blijdschap en met den Heiligen Geest.