Psalm 127
Het boek Psalmen

HSV

Gods onmisbare zegen

1Een pelgrimslied, van Salomo.

Als de HEERE het huis niet bouwt,

tevergeefs zwoegen zijn bouwers eraan;

als de HEERE de stad niet bewaart,

tevergeefs waakt de wachter.

2Het is tevergeefs dat u vroeg opstaat,

laat opblijft,

brood eet waarvoor u moet zwoegen:

de HEERE geeft het Zijn beminde in de slaap.De SV spreekt hier over “brood der smarten”. Eén van de critici vindt dit een niet-noodzakelijke verandering. Het element van zwoegen zou weliswaar niet in “brood der smarten” afwezig zijn, maar dat van smart en droefheid zou de nadruk hebben. De SV-weergave zou een staande uitdrukking geworden zijn. De KT komen de HSV echter te hulp: “brood met veel zorg en moeite verkregen”. Bovendien verwijst dit vers ongetwijfeld naar Gn. 3:16,17: “Met smart zult gij ….” Daarin staat het element van zwoegen en tobben centraal. Dat brood der smarten een staande uitdrukking is geworden, mag geen argument zijn. Er zijn veel van dit soort uitdrukkingen waarbij de huidige betekenis niet meer correspondeert met de Bijbelse bedoeling ervan (zoals “de eersten zullen de laatsten zijn”). Niet alleen is “smart” een woord met een hoog register, de woordcombinatie zelf is niet erg duidelijk.

3Zie, kinderen zijn het eigendom van de HEERE,

de vrucht van de schoot is Zijn beloning.

4Zoals pijlen in de hand van een held,

zo zijn de zonen, ontvangen in de jeugd.

5Welzalig de man die zijn pijlkoker

daarmee gevuld heeft;

zij worden niet beschaamd,

als zij met de vijanden spreken in de poort.

SV

Gods zegen is onmisbaar

1Een lied Hammaälôth, van Sálomo. Zo de HEERE het huis niet bouwt, tevergeefs arbeiden deszelfs bouwlieden daaraan; zo de HEERE de stad niet bewaart, tevergeefs waakt de wachter.

2Het is tevergeefs, dat gijlieden vroeg opstaat, laat opblijft, eet brood der smarten; het is alzo, dat Hij het Zijn beminden als in den slaap geeft.

3Ziet, de kinderen zijn een erfdeel des HEEREN; des buiks vrucht is een beloning.

4Gelijk de pijlen zijn in de hand eens helds, zodanig zijn de zonen der jeugd.

5Welgelukzalig is de man, die zijn pijlkoker met dezelve gevuld heeft; zij zullen niet beschaamd worden, als zij met de vijanden spreken zullen in de poort.