14 mei 2019

Toen zeiden de vorsten tegen de koning: Laat deze man toch ter dood gebracht worden, want zo ontmoedigt hij de strijdbare mannen die in deze stad zijn overgebleven, en ontmoedigt hij heel het volk door zulke woorden tot hen te spreken. Deze man zoekt immers niet het welzijn voor dit volk, maar het onheil.
Jeremia 38:4
Zedekia geeft Jeremia over aan de dood
In de verzen 1 tot 3 komt de kern van Jeremia’s boodschap naar voren. Je verzetten tegen het oordeel van God betekent omkomen met de stad die verwoest zal worden. Wie zich overgeeft aan de koning van Babel en daarmee buigt onder het oordeel, zal leven. De vorsten reageren woedend op deze boodschap. Deze man moet dood, want hij ontmoedigt onze strijders en zoekt niet het welzijn maar het onheil voor dit volk. Hier gebeurt iets zeer ingrijpends. De enige die echt het heil van het volk zoekt, wordt afgeschaduwd als een verrader, als een leugenprofeet. Dit heeft alles te maken met de onbuigzame trots waarmee de vorsten en Zedekia vasthouden aan hun zondige leven, aan hun eigenwillige godsdienst. Ze zijn er zo van overtuigd dat zij deel uitmaken van een uitverkoren volk en dat ze wonen in een uitverkoren stad dat ze weigeren te geloven dat God hen straffen zal.
In de crisis blijken de echte motieven: Jeremia vreest God en zoekt het heil voor het volk. Zedekia vreest zijn vorsten en hangt aan zijn eigen positie.