Handelingen 7
De Handelingen van de heilige apostelen beschreven door Lukas

HSV

De rede van Stefanus

1En de hogepriester zei: Zijn deze dingen zo?

2En hij zei: Mannenbroeders en vaders, luister! De God der heerlijkheid verscheen aan onze vader Abraham, toen hij nog in Mesopotamië was, voordat hij in Haran woonde,

3en Hij zei tegen hem: Gen. 12:1Ga uit uw land en uit uw familie en kom naar een land dat Ik u wijzen zal.

4Toen ging hij uit het land van de Chaldeeën en ging in Haran wonen. En daarvandaan bracht Hij, nadat zijn vader gestorven was, hem over naar dit land, waar u nu in woont.

5Maar Hij gaf hem daarin geen erfdeel, zelfs geen voetstap; Gen. 12:7; 13:15en Hij beloofde hem, toen hij nog geen kind had, dat Hij dat land aan hem en na hem aan zijn nageslacht in bezit geven zou.

6En zo sprak God uit Gen. 15:13dat zijn nageslacht bijwoner zou zijn in een vreemd land en dat ze hen tot slaven zouden maken en slecht zouden behandelen, Gen. 15:16; Ex. 12:40; Gal. 3:17vierhonderd jaar lang.

7En het volk dat zij zullen dienen, zal Ik oordelen, sprak God; en Gen. 15:16daarna zullen zij uittrekken Ex. 3:12en Mij dienen op deze plaats.

8En Hij gaf hem het verbond Gen. 17:10van de besnijdenis; en zo Gen. 21:2verwekte hij Izak en besneed hem op de achtste dag, en Izak verwekte en besneed Gen. 25:24Jakob, en Jakob Gen. 29:32; 30:5; 35:23de twaalf aartsvaders.

9En de aartsvaders, Gen. 37:4die jaloers waren, Gen. 37:28; Ps. 105:17verkochten Jozef zodat hij naar Egypte gebracht werd. Maar God was met hem

10en verloste hem uit al zijn verdrukkingen, en Hij gaf hem genade en wijsheid tegenover de farao, de koning van Egypte; en die Gen. 41:40stelde hem aan als bestuurder over Egypte en over heel zijn huis.

11Gen. 41:54; Ps. 105:16Er kwam echter een hongersnood over heel het land Egypte en Kanaän en grote benauwdheid; en onze vaderen vonden geen voedsel.

12Gen. 42:1Maar toen Jakob hoorde dat er in Egypte koren was, stuurde hij onze vaderen er de eerste keer opuit.

13Gen. 45:4En bij de tweede keer werd Jozef door zijn broers herkend; en de afkomst van Jozef werd bij de farao bekend.

14En Jozef stuurde hen terug en liet zijn vader Jakob halen en heel zijn familie, die uit vijfenzeventig zielen bestond.

15Gen. 46:5En Jakob kwam in Egypte en hij Gen. 49:33stierf, hijzelf en onze vaderen,

16Gen. 50:13; Ex. 13:19; Joz. 24:32en zij werden overgebracht naar Sichem en in het graf gelegd Gen. 23:16dat Abraham voor een geldbedrag van de zonen van Hemor, de vader van Sichem, gekocht had.

17Naarmate echter de tijd van de belofte die God aan Abraham gezworen had, naderbij kwam, Ex. 1:7; Ps. 105:24groeide het volk en nam in aantal toe in Egypte,

18totdat er een andere koning opstond, die Jozef niet gekend had.

19Die ging listig met ons geslacht om en behandelde onze vaderen slecht door hen hun jonge kinderen te vondeling te laten leggen, opdat zij zich niet zouden voortplanten.

20Ex. 2:2; 6:19; Num. 26:59; 1 Kron. 23:13; Hebr. 11:23In die tijd werd Mozes geboren. Hij was bijzonder mooi.7:20 bijzonder mooi - Letterlijk: mooi voor God. Hij werd drie maanden opgevoed in het huis van zijn vader.

21En toen hij te vondeling gelegd was, nam de dochter van de farao hem op in haar huis en voedde hem voor zichzelf op als een zoon.

22En Mozes werd onderwezen in alle wijsheid van de Egyptenaren en was machtig in woorden en in daden.

23Ex. 2:11Toen hij nu de leeftijd van veertig jaar bereikt had, kwam het in zijn hart op zijn broeders, de Israëlieten, te bezoeken.

24Ex. 2:11En toen hij iemand zag die onrecht leed, nam hij hem in bescherming en wreekte degene die mishandeld werd: hij sloeg de Egyptenaar dood.

25En hij dacht dat zijn broeders begrijpen zouden dat God hun door zijn hand verlossing zou geven, maar zij begrepen het niet.

26Ex. 2:13En de volgende dag zagen zij hem,7:26 zagen zij hem - Letterlijk: werd hij door hen gezien. terwijl zij aan het vechten waren; en hij spoorde hen aan tot vrede door te zeggen: Mannen, u bent broeders; waarom doet u elkaar onrecht?

27Degene die zijn naaste onrecht deed, stootte hem echter van zich af en zei: Vers 35; Ex. 2:14; Matt. 21:23; Hand. 4:7Wie heeft u tot een leider en rechter over ons aangesteld?

28Wilt u mij ook om het leven brengen, op de wijze waarop u gisteren die Egyptenaar om het leven gebracht hebt?

29En Mozes vluchtte op dat woord en werd een vreemdeling in het land Midian, waar hij twee zonen verwekte.

30Ex. 3:2En toen er veertig jaar verstreken was, verscheen de Engel van de Heere aan hem in de woestijn van de berg Sinaï, in de vlam van een brandende doornstruik.

31Toen Mozes dat zag, verwonderde hij zich over wat hij zag; en toen hij ernaartoe ging om het te bekijken, kwam er een stem van de Heere tot hem:

32Ex. 3:6; Matt. 22:32; Hebr. 11:16Ik ben de God van uw vaderen, de God van Abraham, de God van Izak en de God van Jakob. En Mozes begon erg te beven en durfde het niet te bekijken.

33En de Heere zei tegen hem: Joz. 5:15Maak de sandalen aan uw voeten los, want de plaats waarop u staat, is heilige grond.

34Ik heb de mishandeling van Mijn volk, dat in Egypte is, heel goed gezien, en Ik heb hun zuchten gehoord en ben neergedaald om hen daaruit te verlossen; en nu, kom, Ik zal u naar Egypte zenden.

35Die Mozes, die zij afgewezen hadden toen zij zeiden: Wie heeft u tot een leider en rechter aangesteld? Hém heeft God als leider en verlosser gezonden door de hand van de Engel Die aan hem verschenen was in de doornstruik.

36Ex. 7; 8; 9; 10; 11; 13; 14Deze heeft hen uitgeleid, terwijl hij wonderen en tekenen deed in het land Egypte, in de Rode Zee Ex. 16:1; Deut. 1:3en in de woestijn, veertig jaar.

37Dit is de Mozes die tegen de Israëlieten gezegd heeft: Deut. 18:15,18; Joh. 1:46; Hand. 3:22De Heere, uw God, zal voor u een Profeet laten opstaan uit uw broeders, zoals ik; Matt. 17:5naar Hem moet u luisteren.

38Ex. 19:3Hij is het die in de woestijn tijdens de samenkomst van het volk Gal. 3:19bij de Engel was Die tot hem sprak op de berg Sinaï, en bij onze vaderen, en Hij was het die de levende woorden ontving om die aan ons door te geven.

39Onze vaderen wilden hem niet gehoorzamen, maar verwierpen hem en keerden in hun hart terug naar Egypte;

40en zij zeiden tegen Aäron: Ex. 32:1Maak voor ons goden die vóór ons uit zullen gaan, want wat die Mozes betreft, die ons uit het land Egypte geleid heeft, wij weten niet wat er met hem gebeurd is.

41En zij maakten in die dagen een kalf en brachten een offer aan die afgod, en zij waren verblijd over de werken van hun handen.

42En God keerde Zich af en gaf hen over om het hemelleger te dienen, zoals er geschreven is in het boek van de Profeten: Amos 5:25Hebt u de veertig jaar in de woestijn ook slachtoffers en offers aan Mij gebracht, huis van Israël?

43Amos 5:26,27Ja, u hebt de tent van Moloch meegedragen en de ster van uw god Remfan, de afbeeldingen die u gemaakt hebt om ze te aanbidden. Ik zal u daarom wegvoeren, verder dan Babylon.

44Bij onze vaderen in de woestijn was de tent van de getuigenis, zoals Hij Die tot Mozes sprak, hem had opgedragen deze te maken Ex. 25:40; Hebr. 8:5overeenkomstig de afbeelding die hij gezien had.

45Joz. 3:14Ook brachten onze vaderen die, nadat zij hem ontvangen hadden, met Jozua in het land dat de heidenen bezaten die God voor onze vaderen uit verdreven heeft. Zo bleef het tot de dagen van David toe,

461 Sam. 16:1; Ps. 89:21; Hand. 13:22die genade vond in de ogen van God 2 Sam. 7:2; 1 Kron. 17:1; Ps. 132:5en verlangde een woonplaats te vinden voor de God van Jakob.

471 Kon. 6:1; 1 Kron. 17:12Maar Salomo bouwde voor Hem een huis.

481 Kon. 8:27; Hand. 17:24De Allerhoogste woont echter niet in tempels die met handen gemaakt zijn, zoals de profeet zegt:

492 Kron. 6:33; Jes. 66:1; Matt. 5:34; 23:22De hemel is voor Mij een troon en de aarde een voetbank voor Mijn voeten. Wat voor huis zult u dan voor Mij bouwen, zegt de Heere, of wat is de plaats van Mijn rust?

50Gen. 1:4Heeft Mijn hand niet al deze dingen gemaakt?

51Neh. 9:16,17; Jer. 6:10Hardnekkigen en onbesnedenen van hart en oren, u verzet u altijd tegen de Heilige Geest; zoals uw vaderen deden, zo doet u ook.

52Wie van de profeten hebben uw vaderen niet vervolgd? Zelfs hebben zij hen gedood die de komst van de Rechtvaardige aankondigden, van Wie u nu verraders en moordenaars geworden bent.

53Ex. 19:3; 24:3; Joh. 7:19; Gal. 3:19; Hebr. 2:2U, die de wet ontvangen hebt door de dienst van engelen, hebt die niet in acht genomen!

De dood van Stefanus

54Toen zij dit hoorden, barstten hun harten van woede en knarsten zij hun tanden tegen hem.

55Maar hij, vol van de Heilige Geest, hield zijn ogen naar de hemel gericht en zag de heerlijkheid van God, en Jezus, staande aan de rechterhand van God.

56En hij zei: Zie, ik zie de hemelen geopend en de Zoon des mensen, staande aan de rechterhand van God.

57Maar zij riepen met luide stem, stopten hun oren dicht en stormden eensgezind op hem af.

581 Kon. 21:13; Luk. 4:29En zij wierpen hem de stad uit en stenigden hem, Hand. 22:20en de getuigen legden hun kleren af aan de voeten van een jongeman, die Saulus heette.

59En zij stenigden Stefanus, terwijl deze Jezus aanriep en zei: Ps. 31:6; Luk. 23:46Heere Jezus, ontvang mijn geest.

60En terwijl hij op de knieën viel, riep hij met luide stem: Matt. 5:44; Luk. 23:34; 1 Kor. 4:12Heere, reken hun deze zonde niet toe! En toen hij dat gezegd had, ontsliep hij.

7

Rede van Stéfanus

1En de hogepriester zeide: Zijn dan deze dingen alzo?

2En hij zeide: Gij mannen broeders en vaders, hoort toe: de God der heerlijkheid verscheen onzen vader Abraham, nog zijnde in Mesopotámië, eer hij woonde in Charran;

3En zeide tot hem: Gen. 12:1.Ga uit uw land en uit uw maagschap, en kom in een land, dat Ik u wijzen zal.

4Toen ging hij uit het land der Chaldeeën, en woonde in Charran. En van daar, nadat zijn vader gestorven was, bracht Hij hem over in dit land, daar gij nu in woont.

5En Hij gaf hem geen erfdeel in hetzelve, ook niet een voetstap; Gen. 12:7. 13:15.en beloofde, dat Hij hem hetzelve tot een bezitting geven zou, en zijn zade na hem, als hij nog geen kind had.

6En God sprak alzo, Gen. 15:13.dat zijn zaad vreemdeling zijn zoude in een vreemd land, en dat zij het zouden dienstbaar maken, en kwalijk handelen, Gen. 15:16. Ex. 12:40. Gal. 3:17.vierhonderd jaren.

7En het volk, dat zij dienen zullen, zal Ik oordelen, sprak God; en Gen. 15:16.daarna zullen zij uitgaan, Ex. 3:12.en zij zullen Mij dienen in deze plaats.

8En Hij gaf hem het verbond Gen. 17:10.der besnijdenis; en alzo Gen. 21:2.gewon hij Izak, en besneed hem op den achtsten dag; en Izak Gen. 25:24.gewon Jakob, en Jakob Gen. 29:32. 30:5. 35:23.de twaalf patriarchen.

9En de patriarchen, Gen. 37:4.nijdig zijnde, Gen. 37:28. Ps. 105:17.verkochten Jozef, om naar Egypte gebracht te worden; en God was met hem,

10En verloste hem uit al zijn verdrukkingen, en gaf hem genade en wijsheid voor Faraö, den koning van Egypteland; en hij Gen. 41:40.stelde hem tot een overste over Egypte, en zijn gehele huis.

11Gen. 41:54. Ps. 105:16.En er kwam een hongersnood over het gehele land van Egypte en Kanaän, en grote benauwdheid; en onze vaders vonden geen spijs.

12Gen. 42:1.Maar als Jakob hoorde, dat in Egypte koren was, zond hij onze vaders de eerste maal uit.

13Gen. 45:4.En in de tweede reize werd Jozef zijn broederen bekend; en het geslacht van Jozef werd aan Faraö openbaar.

14En Jozef zond heen, en ontbood zijn vader Jakob, en al zijn geslacht, bestaande in vijf en zeventig zielen.

15Gen. 46:5.En Jakob kwam af in Egypte, en Gen. 49:33.stierf, hijzelf en onze vaders.

16Gen. 50:13. Ex. 13:19. Joz. 24:32.En zij werden overgebracht naar Sichem, en gelegd in het graf, Gen. 23:16.hetwelk Abraham gekocht had voor een som gelds, van de zonen van Emmor, den vader van Sichem.

17Maar als nu de tijd der belofte, die God aan Abraham gezworen had, genaakte, Ex. 1:7. Ps. 105:24.wies het volk en vermenigvuldigde in Egypte;

18Totdat een ander koning opstond, die Jozef niet gekend had.

19Deze gebruikte listigheid tegen ons geslacht, en handelde kwalijk met onze vaderen, zodat zij hun jonge kinderen moesten wegwerpen, opdat zij niet zouden voorttelen.

20Ex. 2:2. 6:19. Num. 26:59. 1 Kron. 23:13. Hebr. 11:23.In welken tijd Mozes werd geboren, en was uitnemend schoon; welke drie maanden opgevoed werd in het huis zijns vaders.

21En als hij weggeworpen was, nam hem de dochter van Faraö op, en voedde hem voor zichzelve op tot een zoon.

22En Mozes werd onderwezen in alle wijsheid der Egyptenaren; en was machtig in woorden en in werken.

23Ex. 2:11.Als hem nu de tijd van veertig jaren vervuld was, kwam hem in zijn hart, zijn broeders, de kinderen Israëls, te bezoeken.

24Ex. 2:11.En ziende een, die onrecht leed, beschermde hij hem, en wreekte dengene, dien overlast geschiedde, en versloeg den Egyptenaar.

25En hij meende, dat zijn broeders zouden verstaan, dat God door zijn hand hun verlossing geven zou; maar zij hebben het niet verstaan.

26Ex. 2:13.En den volgenden dag werd hij van hen gezien, daar zij vochten; en hij drong ze tot vrede, zeggende: Mannen, gij zijt broeders; waarom doet gij elkander ongelijk?

27En die zijn naaste ongelijk deed, verstiet hem, zeggende: Vers 35. Ex. 2:14. Matt. 21:23. Hand. 4:7.Wie heeft u tot een overste en rechter over ons gesteld?

28Wilt gij mij ook ombrengen, gelijkerwijs gij gisteren den Egyptenaar omgebracht hebt?

29En Mozes vluchtte op dat woord en werd een vreemdeling in het land Madiam, waar hij twee zonen gewon.

30Ex. 3:2.En als veertig jaren vervuld waren, verscheen hem de Engel des Heeren, in de woestijn van den berg Sinaï, in een vlammig vuur van het doornenbos.

31Mozes nu, dat ziende, verwonderde zich over het gezicht; en als hij derwaarts ging, om dat te bezien, zo geschiedde een stem des Heeren tot hem,

32Zeggende: Ex. 3:6. Matt. 22:32. Hebr. 11:16.Ik ben de God uwer vaderen, de God Abrahams, en de God Izaks, en de God Jakobs. En Mozes werd zeer bevende, en durfde het niet bezien.

33En de Heere zeide tot hem: Joz. 5:15.Ontbind de schoenen van uw voeten; want de plaats in welke gij staat, is heilig land.

34Ik heb merkelijk gezien de mishandeling Mijns volks, dat in Egypte is, en Ik heb hun zuchten gehoord en ben nedergekomen, om hen daaruit te verlossen; en nu, kom herwaarts, Ik zal u naar Egypte zenden.

35Dezen Mozes, welken zij verloochend hadden, zeggende: Wie heeft u tot een overste en rechter gesteld? dezen, zeg ik, heeft God tot een overste en verlosser gezonden, door de hand des Engels, Die hem verschenen was in het doornenbos.

36Ex. 7. 8. 9. 10. 11. 13. 14.Deze heeft hen uitgeleid, doende wonderen en tekenen in het land van Egypte, en in de Rode zee, Ex. 16:1. Deut. 1:3.en in de woestijn, veertig jaren.

37Deze is de Mozes, die tot de kinderen Israëls gezegd heeft: Deut. 18:15, 18. Joh. 1:46. Hand. 3:22.De Heere, uw God, zal u een Profeet verwekken uit uw broederen, gelijk mij; Matt. 17:5.Dien zult gij horen.

38Ex. 19:3.Deze is het, die in de vergadering des volks in de woestijn was Gal. 3:19.met den Engel, Die tot hem sprak op den berg Sinaï, en met onze vaderen; welke de levende woorden ontving, om ons die te geven.

39Denwelken onze vaders niet wilden gehoorzaam zijn, maar verwierpen hem, en keerden met hun harten weder naar Egypte;

40Zeggende tot Aäron: Ex. 32:1.Maak ons goden, die voor ons heengaan; want wat dezen Mozes aangaat, die ons uit het land van Egypte geleid heeft, wij weten niet, wat hem geschied is.

41En zij maakten een kalf in die dagen, en brachten offerande tot den afgod, en verheugden zich in de werken hunner handen.

42En God keerde Zich, en gaf hen over, dat zij het heir des hemels dienden, gelijk geschreven is in het boek der profeten: Amos 5:25.Hebt gij ook slachtofferen en offeranden Mij opgeofferd, veertig jaren in de woestijn, gij huis Israëls?

43Amos 5:26, 27.Ja, gij hebt opgenomen den tabernakel van Moloch, en het gesternte van uw god Remfan, de afbeeldingen, die gij gemaakt hebt, om die te aanbidden; en Ik zal u overvoeren op gene zijde van Babylon.

44De tabernakel der getuigenis was onder onze vaderen in de woestijn, gelijk geordineerd had Hij, Die tot Mozes zeide, dat hij denzelven maken zou Ex. 25:40. Hebr. 8:5.naar de afbeelding, die hij gezien had.

45Joz. 3:14.Welken ook onze vaders ontvangen hebbende, met Jozua gebracht hebben in het land, dat de heidenen bezaten, die God verdreven heeft van het aangezicht onzer vaderen, tot de dagen van David toe;

461 Sam. 16:1. Ps. 89:21. Hand. 13:22.Dewelke voor God genade gevonden heeft, en 2 Sam. 7:2. 1 Kron. 17:1. Ps. 132:5.begeerd heeft te vinden een woonstede voor den God Jakobs.

471 Kon. 6:1. 1 Kron. 17:12.En Sálomo bouwde Hem een huis.

481 Kon. 8:27. Hand. 17:24.Maar de Allerhoogste woont niet in tempelen met handen gemaakt; gelijk de profeet zegt:

492 Kron. 6:33. Jes. 66:1. Matt. 5:34. 23:22.De hemel is Mij een troon, en de aarde een voetbank Mijner voeten. Hoedanig huis zult gij Mij bouwen, zegt de Heere, of welke is de plaats Mijner ruste?

50Gen. 1:4.Heeft niet Mijn hand al deze dingen gemaakt?

51Neh. 9:16, 17. Jer. 6:10.Gij hardnekkigen en onbesnedenen van hart en oren, gij wederstaat altijd den Heiligen Geest; gelijk uw vaders, alzo ook gij.

52Wien van de profeten hebben uw vaders niet vervolgd? En zij hebben gedood degenen, die te voren verkondigd hebben de komst des Rechtvaardigen, van Welken gijlieden nu verraders en moordenaars geworden zijt.

53Ex. 19:3. 24:3. Joh. 7:19. Gal. 3:19. Hebr. 2:2.Gij, die de wet ontvangen hebt door bestellingen der engelen, en hebt ze niet gehouden!

Stéfanus' dood

54Als zij nu dit hoorden, berstten hun harten, en zij knersten de tanden tegen hem.

55Maar hij, vol zijnde des Heiligen Geestes, en de ogen houdende naar den hemel, zag de heerlijkheid Gods, en Jezus, staande ter rechterhand Gods.

56En hij zeide: Ziet, ik zie de hemelen geopend, en den Zoon des mensen, staande ter rechterhand Gods.

57Maar zij, roepende met grote stemme, stopten hun oren, en vielen eendrachtelijk op hem aan;

581 Kon. 21:13. Luk. 4:29.En wierpen hem ter stad uit, en stenigden hem; Hand. 22:20.en de getuigen legden hun klederen af aan de voeten eens jongelings, genaamd Saulus.

59En zij stenigden Stéfanus, aanroepende en zeggende: Ps. 31:6. Luk. 23:46.Heere Jezus, ontvang mijn geest.

60En vallende op de knieën, riep hij met grote stem: Matt. 5:44. Luk. 23:34. 1 Kor. 4:12.Heere, reken hun deze zonde niet toe! En als hij dat gezegd had, ontsliep hij.